Tasselia Ordamensis

tasselia _klein

Begin december 2002 wist onze vogelringer Guido ons te verrassen met de melding dat hij, tijdens het plaatsen van een inloopkooi voor eenden op het Galgeschoor, een bom had gevonden.

Bij het graven van een gat voor een paal, was zijn vrouw op iets hard gestoten. Ze had er een paar keer stevig met de spa op gestoken , maar zonder resultaat. Toen ze het uit de grond spitte, leek het verdacht veel op een verroeste bom.

Tot de broer van Gie ons enkele foto’s opstuurde: die bom was geen bom maar een fors exemplaar van een Tasselia ordamensis. Onderaan op de foto kan je nog zien waar de vrouw van Gie een paar keer stevig heeft gestoken met de spade.

Sporenfossiel of ichnofossiel

Een verklaring voor het onstaan van deze knollen is het ichnofossiel Tasselia ordamensis.

Sporenfossielen of ichnofossielen zijn het resultaat van organismen die het sediment doorkropen hebben en er allerlei structuren in achter gelaten hebben.
Om het duidelijk te zeggen: de knollen die wij vinden zijn geen gefossiliseerde wormen maar wel de fossiele sporen van Tasselia ordamensis.

Een meer dan volledige uitleg over ichnofossielen, kan je nalezen in Gids voor de Ichnofossielen van België door R. Marquet,T. Haubrechts, uitgegeven door Belgische Vereniging voor Paleontologie – www.paleontologie.be. Het is nog steeds mogelijk deze publicatie te bestellen.

Tasselia ordamensis

In 1965 publiceerde R. Van Tassel van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen te Brussel een wetenschappelijke bijdrage over deze concreties: Merkwaardige konkreties in de Pleistocene mariene afzettingen van Antwerpen, verslagboek van het 4e Internationale havencongres, Antwerpen 1964.

Deze konkreties werden opgemerkt tijdens de graafwerken van de Boudewijnsluis, het zevende havendok, het kanaaldok B1 en de Zandvlietsluis. Ze zijn bijzonder talrijk in de streek van de Ordampolder te Oorderen; meer bepaald ten zuiden van het Fort van Oorderen ongeveer waar zich nu de oostelijke spooroprit van de Lillobrug bevindt.

Tasselia werd beschreven in de Zanden van Merksem (Ordampolder bij Antwerpen, Oud-Pleistoceen), maar werd ook herkend in de Zanden van Oorderen (Plioceen) en de Zanden van Deurne (Boven-Mioceen).

Hun afmetingen zijn sterk uiteenlopend: lengte van 3 tot 30cm, doormeter van 2 tot 10cm en met een gewicht tot 4kg.Deze konkreties staan bijna allen uitsluitend rechtop. Ze komen alleen en groepsgewijs voor, in het laatste geval zijn ze soms samengegroeid met 15 stuks of meer.

Wanneer deze concreties aan verwering blootgesteld worden, dan vallen ze uiteen in schijfjes. Hierbij valt dan heel duidelijk de centrale buis op. Deze centrale buis is scherp omlijnd, heeft een diameter van +2,5 mm. Deze buis verloopt rechtlijnig en heeft geen vertakkingen.

De kleur van deze concreties is binnenin lichtgrijs en wordt naar buiten toe bruin.
Het lichtgrijs bestaat hoofdzakelijk uit calciumfosfaat (apatiet). Het donkere deel bestaat voornamelijk uit ijzercarbonaat (sideriet).
De geleidelijke overgang van calciumfosfaat naar ijzercarbonaat wijst erop dat deze knollen vroeger fosfaathoudend waren; m.a.w. ze bevatten levend materiaal.

Onderaan de gevonden konkreties bevond zich steeds een platte kamer. Volgens de meest gangbare theorie wijst dit ichnofossiel op Pogonophora of baardwormen.

De formatie van Lillo

De Formatie van Lillo is van Pliocene ouderdom – 5,2 tot 1,8 miljoen jaar geleden. Het Plioceen bestaat voornamelijk uit ondiepe mariene sedimenten of afzettingsgesteenten en komt enkel voor in het noorden van België.

De diepste en dus ook de oudste Pliocene laag is de Formatie van Kattendijk. Deze bevat slechts één lithologische eenheid, nl. de Zanden van Kattendijk. Het zijn grijsgroene, fijnkorrelige, glauconietrijke zanden, lichtjes kleiig. Aan de basis komt een fijn grint voor, bestaande uit afgeronde grove kwartskorrels. Ze bevatten ook veel fossielen, o.a. Pygocardia, Astarte en Terebratula.

Bovenop de Formatie van Kattendijk bevindt zich de Formatie van Lillo. Deze formatie bestaat in het westen uit een vijftal leden. Het onderscheid is gebaseerd op korrelgrootte, glauconietgehalte en fossielinhoud :

  • de Zanden van Luchtbal: lichtgrijze, schelprijke zanden die op sommige plaatsen volledig herwerkt zijn. In het noorden is deze laag ca. 14 m dik. In Nederland wordt deze nog dikker en vormt er een belangrijke watervoerende laag, mede dank zij de ondoorlatende eigenschappen van de bovenliggende sedimenten of afzettingsgesteenten.
  • de Zanden van Oorderen: deze waren vroeger gekend als de “Zanden van Kallo”. Het zijn grijsgroene tot grijsbruine glauconiethoudende zanden met een kleiig karakter. Meestal kan men een drietal schelpenniveau’s onderscheiden. Hydrogeologisch kunnen deze een belangrijke rol spelen, daar hun kleiige eigenschappen toenemen naar het NO toe. Echter is de verbreiding van deze kleiige band niet goed gekend.
  • de Zanden van Kruisschans: grijsgroene zanden met fijn schelpengruis. Er komen veel kleilensjes in voor. De afzetting is ongeveer 3 m dik.
  • de Zanden van Merksem: licht bruingrijze, fijn tot grove zanden, glauconiethoudend en fossielrijk. Aan de basis vertonen deze gekruiste gelaagdheden. Ze worden bedekt door continentale afzettingen (polders) of door de Zanden van Zandvliet.
  • de Zanden van Zandvliet: gelijken sterk op de Zanden van Merksem, maar bevatten geen fossielen.

Pogonophora of baardwormen.

Naar hoe het diertje dat deze kokers bouwde er uitzag kunnen we slechts gissen omdat het al lang uitgestorven is.

De baardwormen die we nu nog kennen leven allen in het zachte oppervlak van de zeebodem. Deze bleke, draadvormige dieren zijn zo broos en teer, dat het uiterst moeilijk is om een onbeschadigd exemplaar te bemachtigen. Vooral het achterlijf is nog maar zelden bovengehaald.

Klieren op hun lichaam scheiden eiwitten en chitine af. In combinatie met mineralen uit de bodem bouwen ze zo een koker op.

Het achterlijf van deze wormen bevindt zich in de kamer onderaan de koker. Het dunne draadvormige lijf bevindt zich in de koker en die steekt bovenaan uit de zandlaag als een bundel tentakels. Deze tentakels zorgen zowel voor de ademhaling als voor de voedselvoorziening.

Hoe komen die fossielen op het Galgeschoor?

Toen men halverwege de jaren 80, meer bepaald in 1985 – de schorrand van het Galgeschoor verstevigde met een stenen talud, werd de ruimte tussen de schorrand en het talud opgevuld met baggerzand afkomstig van de havenwerkzaamheden.

Meer weten