Het getij in de Westerschelde en Zeeschelde

Ontstaan van het getij

Onder invloed van de zwaartekracht van de maan (en in mindere mate van de zon en de andere planeten) wordt de watermassa op de aarde meegesleurd. Het getij is een op en neergaande beweging van het water. Samen met het getij treedt ook een horizontale beweging op: de getijdenstroom.

Getijdecyclus

Per etmaal treden in de Westerschelde en de Zeeschelde 2 getijdecycli op. Twee maal per dag krijg je een opeenvolging van laagwater (LW) en hoogwater (HW). In feite is dit niet helemaal juist want elke getijdecyclus duurt 12 uur en 25 minuten.

Het tijverschil

In de Scheldemonding bij Vlissingen bedraagt het verschil tussen hoog- en laagwater zo’n vier meter. Hoe verder stroomopwaarts, hoe nauwer de rivierbedding en hoe meer het binnenstromende vloedwater wordt opgestuwd. Nabij Hamme, waar de Durme in de Schelde uitmondt, bereikt de rivier haar hoogste waterpeil. Daarna neemt de opstuwing van het water weer af. De sluizen in de omgeving van Gent houden het getij volledig tegen en zorgen ervoor dat de rivier verder stroomopwaarts niet langer door de zee beïnvloed wordt.

In het Verdronken Land van Saeftinghe is het verval (het tijverschil) 4.50 meter. Bij doodtij gemiddeld 3.60 meter en bij springtij gemiddeld 5.20 meter. Ook hier weer gemiddelden: op 18 maart 2001 was het verschil bij doodtij 3.12 meter; bij springtij op 11 maart daarvoor 6,36 meter.

Het tijverschil tussen het westen en het oosten van het gebied is 15 cm (hoger aan de oostelijke kant).

De getijgolf

Deze periodieke rijzing en daling van het water in het estuarium, is het gevolg van de getijgolf die in en uit het estuarium loopt. De golftop van deze getijgolf resulteert in een hoogwater, het golfdal komt overeen met het laagwater.

Daarom is het in Antwerpen hoogwater gemiddeld 45 minuten na het hoogwater in Vlissingen; m.a.w. de getijdegolf heeft gemiddeld 45 minuten nodig om van Vlissingen naar Antwerpen te komen.

Wanneer deze getijgolf het estuarium binnenstroomt dan wordt zij vervormd door de bodem.
Hoe verder ze landinwaarts komt, hoe sterker ze vervormd wordt door het smaller en ondieper worden van het estuarium.

We kunnen deze vervorming duidelijk maken aan de hand van het getijverschil.
In Vlissingen bedraagt het gemiddelde getijverschil 4 meter. Naar Antwerpen toe wordt de getijgolf opgestuwd en neemt het getijverschil toe tot 5 meter. Stroomopwaarts van Antwerpen neemt het getijverschil af tot een goede 2 meter nabij Gent.

Het afnemen van het getijverschil tussen Antwerpen en Gent komt doordat de bodemweerstand een dominante invloed heeft, waardoor het getijverschil sterk afneemt.

Op basis van de gemiddelde springtijrange is het Schelde-estuarium een macrotidaal estuarium, dit is een estuarium met een tijverschil groter dan 4 meter.

  • < 2 m microtidaal
  • 2 tot 4 m mesotidaal
  • > 4 m macrotidaal

In de Beneden-Zeeschelde is het tijverschil relatief groot in vergelijking tot de waterdiepte, de verhouding tussen beide grootheden bedraagt ongeveer 0.3. Het gemiddeld tijverschil te Prosperpolder (tijpost t.h.v. de Belgisch/Nederlandse grens) voor de periode 1981-1990 bedroeg 4.94m (doodtij: 4.02m; springtij: 5.64m) (CLAESSENS & MEYVIS 1994).

De snelheid van de getijgolf in de Westerschelde is gemiddeld 36 km per uur.

Het getij in het Zeescheldebekken

De getijdetafels zijn enkel maar een berekende voorspelling van de verwachte tijhoogte en tijdstippen van LW en HW. Van alle franjes ontdaan, kan het getij in het Zeescheldebekken kortweg omschreven worden als zijnde de som van volgende componenten:

  • vanuit de Noord-Atlantische Oceaan komt een quasi astronomisch getij de Noordzee binnen, zowel ten zuiden via het Nauw van Calais als ten noorden omheen Schotland;
  • bij diepe lagedruk-kernen, met dicht bij elkaar gelegen isobaren aan westzijde, en gewoonlijk van zuidwest naar noordoost gaande over de Noordzee, oefenen meteorologische omstandigheden op dit quasi astronomisch getij grote invloed uit, welke bij langdurige (dagen) en hevige (8 à 12 Bft) windvelden uit west tot vnl. noordwest over de Noordzee, langs de Belgische Kust aanleiding geven tot flink verhoogde waterstanden vnl. hoogwaterstand, zodat zich via de Westerschelde in het Zeescheldebekken stormvloeden kunnen ontwikkelen. Met een juiste knipoog naar de oorzaak wordt -algemeen- van opwaaiing gesproken;
  • vanuit continentaal Europa kunnen langdurige (dagen) en hevige (5 à 7 Bft) oostenwinden vanuit Duitsland over België en Nederland gaan, welke de normaal (astronomisch voorspelde) waterstanden in Westerschelde en Zeescheldebekken flink kunnen verlagen, zowel hoog- als laagwater. Dit kan zich vooral voordoen bij winterse vorstperiodes als in zomerse warmtedagen. Met een juiste knipoog naar de oorzaak wordt -algemeen- van afwaaiing gesproken.
  • bij langdurige (dagen) en hevige (bvb. 10 en meer l/m2.d) neerslag in Noord-Frankrijk en België, neemt de waterafvoer uit de opwaarts gelegen hydrografische bekkens (Bovenschelde, Leie, Denderbekken, Boven-Dijle-bekken, Demerbekken, Netebekken enz.) dermate toe dat uiteindelijk zeer grote bovendebieten naar het Zeescheldebekken worden afgevoerd, die het getij in de opwaartse gebieden van het tijbekken enerzijds doen verhogen (zo hoog- als eerder en meer laagwater) en anderzijds beperken (tijverschil doen verkleinen of getij naar afwaarts afremmen). Buiten de vernoemde hevige neerslag kan dit ook gebeuren bij plotse dooi na een sneeuwperiode. De bovendebieten geven aanleiding tot een was-regime.

Evolutie van het getij

Waterstanden in de Zeeschelde

Hier ligt de nadruk op de evoluties van het hoog- en laagwater ter hoogte van Vlissingen, Antwerpen, Dendermonde en Wetteren.

>> lees verder

Evolutie van het getij over de periode 1888-2017

Binnen deze studie werden dagelijkse hoog- en laagwaterstanden gedigitaliseerd voor 10 getijposten in de Zeeschelde, en dit vanaf 1888. Deze data werden gebruikt om jaargemiddelde getijkarakteristieken zoals waterstand, getijvertraging en getijasymmetrie af te leiden. Daarnaast werden jaargemiddelde waardes berekend voor 4 getijposten in de Westerschelde, om op die manier de langjarige evolutie van het volledige Schelde estuarium in beeld te brengen.

>> lees verder

MONEOS-jaarboeken

De MONEOS-jaarboeken zijn een factual data rapportage van getijwaarnemingen, bovendebieten en andere parameters zoals stromingen, conductiviteit en turbiditeit gemeten per jaar in het Zeescheldebekken door het Waterbouwkundig Laboratorium.

>> lees verder

Meer weten?