Getijtafels

natte-voetenKennis van het tijdstip van hoog- en laagwater is van levensbelang voor de scheepvaart, die moet afrekenen met ondiepten en zandbanken. Maar ook voor andere mensen die afhankelijk zijn van de zee of getijderivieren, is het handig om de tijdstippen van hoog- en laagwater te weten.

De getijtafels in het getijdenboekje geven voor verschillende locaties een aanduiding van het voorspelde tijdstip en de voorspelde hoogte van laagtij en hoogtij.

De waterstand of tijhoogte wordt aangegeven tegenover een referentiehoogte of hoogte 0 (nul). Niet alle zeekaarten of getijtafels gebruiken hetzelfde referentieniveau. Zo heb je heel wat referentievlakken >> zie overzicht.

Dieptes op Belgische zeekaarten werden tot op 5 maart 2008 aangeduid tegenover GLLWS (Gemiddelde Laag-LaagWaterSpring). Vanaf die datum is men overgestapt naar LAT (Lowest Astronomical Tide). De internationale overgang naar LAT heeft als voordeel dat op de hele Noordzee hetzelfde reductievlak gebruikt wordt.

TAW en NAP

NAP-TAWIn België gebruikt men TAW (Tweede Algemene Waterpassing) als referentie voor het aanduiden van de hoogte van de waterstand. Een TAW-hoogte van O meter is gelijk aan het gemiddeld zeeniveau bij eb te Oostende.

In Nederland is NAP (Normaal Amsterdams Peil) de standaard. Het NAP is gelijkgesteld aan het gemiddeld zeeniveau. TAW is 2,33 m lager dan NAP. Hierdoor vallen hoogtes in België wat "hoger" uit dan in Nederland: het hoogste punt van België Signaal van Botrange ligt op 694 m hoogte (TAW), maar op "slechts" 691,7 meter boven NAP.

Meer info over NAP kan u hier nalezen.

De Tweede Algemene Waterpassing (TAW)

De Tweede Algemene Waterpassing (TAW) is de referentiehoogte waartegenover hoogtemetingen in België worden uitgedrukt.

De TAW is een verbetering van de Algemene Waterpassing (AW) die tussen 1840 en 1879 werd uitgevoerd. De AW-hoogte van 0 meter was gelijk aan het "Nulpeil van het Krijgsdepot" of D-nulpeil. Dit was het gemiddeld zeeniveau bij laagwater te Oostende, dat tussen 1834 en 1853 werd gemeten met de peilschaal in het Handelsdok.[1]

De Tweede Algemene Waterpassing werd uitgevoerd tussen 1947 en 1968 en wordt onderhouden door het Nationaal Geografisch Instituut. Omdat het oorspronkelijke peilmerk in Oostende niet meer bestond, werd TAW gebaseerd op het peilmerk GIKMN in Ukkel met een gedefinieerde hoogte van 100,174 meter.

TAW en LAT

 

In het getijdenboekje uitgegeven door de Vlaamse Hydrografie staat de hoogte van het getij aangegeven tegenover het vergelijkingsvlak van de TAW (Tweede Algemene Waterpassing) en tegenover LAT (Lowest Astronomical Tide). Door het verschil tussen de amplitudes van de getijden langsheen de Belgische kust is het verschil tussen TAW (een terrestrisch gegeven) en LAT (een marien gegeven) geen constante.

LAT staat voor “Lowest Astronomical Tide", de laagste waterstand die per locatie wordt bepaald aan de hand van astronomische voorspellingen. Meer uitleg over LAT kan u  nalezen in de brochure "Overgang van GLLWS naar LAT".

Ten opzichte van het vergelijkingsvlak van de Tweede Algemene Waterpassing (T.A.W.) ligt het vergelijkingsvlak Lowest Astronomical Tide (L.A.T.) te:

  • Nieuwpoort, 0,65 m onder T.A.W.
  • Oostende 0,50 m onder T.A.W.
  • Zeebrugge 0,23 m onder T.A.W.
  • Vlissingen 0,23 m onder T.A.W.
  • Terneuzen 0,36 m onder T.A.W.
  • Hansweert 0,50 m onder T.A.W.
  • Bath 0,62 m onder T.A.W.
  • Prosperpolder 0,69 m onder T.A.W.
  • Liefkenshoek 0,72 m onder T.A.W.
  • Antwerpen 0,77 m onder T.A.W.
  • Wintam 0,71 m onder T.A.W.