Evolutie van het getij te Antwerpen in de voorbije eeuw

Sinds de start van de metingen in 1885, is er een duidelijke stijgende trend te zien in de hoogwaterstanden. Tot ongeveer 1955 verliep de stijging lineair met 5 à  6 cm per 10 jaar. Nadien nam ze toe tot 7 à  8 cm per 10 jaar.

Deze trendbreuk kan onder meer gerelateerd worden aan de ontwikkeling van het Gat van Ossenisse en van de Overloop van Hansweert in de vijftiger en zestiger jaren van vorige eeuw. De desastreuze stormvloed van 1 februari 1953 speelde hier mogelijk ook een rol in.

Gemiddelde HW te Lillo

1891 - 1900 4m55
1901 - 1910 4m63
1911 - 1920 4m67
1921 - 1930 4m74
1931 - 1940 4m80
1941 - 1950 4m73
1951 - 1960 4m86
1961 - 1970 4m93
1971 - 1980 5m01
1981 - 1990 5m14

De laatste jaren is er een duidelijke afvlakking te zien van de stijgende trends. Terwijl de hoogwaterstanden stegen, daalden de gemiddelde laagwaterstanden gestaag waardoor het getijverschil vanzelfsprekend toenam.

Vele factoren beïnvloeden het getij in een estuarium. Er zijn natuurlijke fenomenen, zoals de dagelijkse getijwerking, zeespiegelstijging en stormvloeden. Ook astronomische cycli beïnvloeden het getij. In de evolutie van het tijverschil is bijvoorbeeld duidelijk de Saros-cyclus te zien, een 18,6-jarige cyclus veroorzaakt door veranderingen in de onderlinge positie van de maan en de aarde (stippellijnen). Daarnaast zijn er tal van menselijke ingrepen (in- en ontpolderingen, zandwinning, verruiming en verdieping van de vaargeul, rechttrekkingen, wijzigingen aan het bovendebiet) die het getij kunnen wijzigen. Oorzaak en gevolg zijn vaak moeilijk te duiden.

 

Jaarrapporten WatLab

 

Voor gedetailleerde jaaroverzichten verwijzen we naar de MONEOS-jaarboeken verschenen bij het Waterbouwkundig Laboratorium.