Ontstaan van slikken en schorren

Evolutie

Het voorkomen van zand- en slikplaten is gerelateerd aan een reeks van processen zoals getij-assymetrie tussen eb- en vloedstromen, cohesief sedimenttransport en kenmerken en beschikbaarheid van slib (Beeftink 1965, Ysebaert 2000).

Gedifferentieerd materiaaltransport, samenhangend met de stroomsnelheid en erosie en sedimentatie, leidt tot een gedifferentieerde toestand van de bodem, met name verschillende slib- en zandgehaltes en een niveauverschil van de bodem.

Aanvankelijk is het zich ontwikkelende systeem instabiel, relatief eenvoudig samengesteld en grofkorrelig, waarbij de slik- en zandplaten een convex model hebben en de geulen glooiende oevers.

ontstaan-slikken-schorren-fase1

Naarmate de getijstromen afnemen en de opslibbing verdergaat neemt de dikte van de waterlaag die het terrein bij hoogwater bedekt, de stroomsnelheid en de afstand waarover materiaal getransporteerd wordt af.
Dit leidt tot omvorming van de platen van een convex naar een concaaf model waarbij slib voornamelijk afgezet wordt aan de randen(oeverwalvorming), terwijl de oevers van de kreken zich modificeren van zachtglooiend naar steil.

ontstaan-slikken-schorren-fase2

In een nog verder stadium van opslibbing splitsen de kreken zich steeds verder en dringen zij door terugschrijdende erosie door in de platen zodat deze laatste in steeds kleinere eenheden uiteenvallen.
Deze processen leiden tot een toenemende ruimtelijke differentiatie in de opslibbings- en erosieconcentratie en er wordt een oeverwal-kom systeem gevormd. Bij hoogwater komt het water via de kreken op de komgrond en door de afname van de stroomsnelheid (cf. stroombaanverwijding) gaat het fijn slib bezinken.

ontstaan-slikken-schorren-fase3

 

Sedimentatieprocessen

Het oeverwallen-komsysteem slibt vanuit twee richtingen op: via transport van voornamelijk slib door de kleinste vertakkingen van de kreken in de kommen (apicale sedimentatie) en via transport van zandig materiaal door het buiten de oevers treden van de kreken over de oeverwallen (laterale sedimentatie).

Het bestaan van twee sedimentatieprocessen betekent dat verschuivingen in de intensiteit van beide tegenover elkaar tot verschillen in het bodemreliëf leiden. Daar waar grotendeels fijn materiaal aangevoerd wordt is het niveauverschil tussen kom en oeverwal gering.
In gebieden waar relatief veel zand en weinig slib in het water aanwezig is, is het niveauverschil tussen kom en oeverwal groot.

Overheersende aanvoer van zand werkt differentiërend op het bodemreliëf, aanvoer van slib egaliserend.

Kreken en greppels

Kreken nemen voor de sedimentatie van zand een sleutelpositie in en hun aanwezigheid is dus vereist voor het optreden van differentiatie in het niveau van het bodemoppervlak.

Functieverlies van de kreken door begreppeling werkt dus egaliserend, zowel op het bodemreliëf als op de differentiatie in de korrelgrootteverdeling (bijv. Galgenschoor bij Lillo). Begreppeling werkt daardoor dus ook steeds egaliserend op de vegetatie, dus verarmend.

Zand en slib in beweging

Het op zichzelf merkwaardige feit dat in de eu-littorale en supralittorale zones het grovere zand op hogere niveaus wordt afgezet dan de zoveel kleinere slibdeeltjes, hangt ook samen met het Hjulström-effect: de minimale stroomsnelheid die nodig is voor erosie van een sediment, is altijd groter dan de maximale snelheid waarbij zijn sedimentatie nog net kan plaats hebben.
Het verschil tussen deze twee kritische snelheden neemt toe met de afmeting van de korrelgrootte van de afzetting. Grove sedimenten worden dus naar verhouding weer gemakkelijker in beweging gebracht dan fijne.

De slib vastleggende waarde van de hoger op het slik groeiende, ijle zeekraalbegroeiingen is gering. De betekenis van microfyten die in deze zone leven is hierbij veel hoger. Ook het nopjeswier (Vaucheria spec.), dat zich ongeveer op hetzelfde niveau vestigt, speelt door de enorme groeicapaciteit een belangrijke rol als vastlegger van slib.