De evolutie van slikken, schorren en ondiepwatergebieden

Zeeschelde

Slikken en schorren zijn dynamische habitats die voortdurend aangroeien en weer eroderen. In gebieden die telkens overstromen en weer droogvallen zorgt bezinking voor verticale groei. Dat proces verloopt sneller bij schor dan bij slik omdat de vegetatie op het schor de neerslag van slib bevordert. Naarmate het schor ophoogt, wordt de helling naar het slik steiler en neemt de kans op afkalving toe. Wanneer een kritische drempelwaarde overschreden is, kan de erosie van het schor op gang komen, bijvoorbeeld bij een storm. Waar de zone tussen hoog- en laagwater voldoende breed is, zal na verloop van tijd een nieuw pionierschor ontstaan, vóór het zich terugtrekkende oude schor.

De oppervlakte en kwaliteit van slikken, schorren en ondiepwatergebieden worden beïnvloed door een samenspel van stromingspatronen en morfologie. Dankzij de hoge sedimenttoevoer kon het schor de voorbije eeuw de toenemende getijhoogten volgen. Tussen de dijken is echter geen zijdelingse schoruitbreiding mogelijk: de overgang tussen geul en schor wordt steeds steiler en er ontstaan hoge schorkliffen. Slik, laag- en middenschor worden kwetsbaarder en de schorkliffen eroderen door de toenemende stroomsnelheden.

Op basis van luchtfoto's kon worden aangetoond dat 5 % van de grote schorren langs de Zeeschelde door afslag in slik veranderde terwijl 30 % van de voorliggende slikken, subtidaal werd tussen 1990 en 2003. De aangroei van slikken en schorren daarentegen was veel kleiner. Om die negatieve evolutie af te remmen moet een verdere verdieping van de vaargeul gepaard gaan met een ruimtelijke uitbreiding van het estuarium.

Onderstaande tabel geeft de evolutie van slikken en schorren tussen 1992 en 2003 op basis van luchtfotografie. Het betreft de volgende schorren: Groot Buitenschoor, Schor Ouden Doel, Galgenschoor, Liefkenshoek, StAnnastrand (klein deel), schor van Kruibeke Basel Rupelmonde,Temsebrug, Notelaar, Kijkverdriet, Stort van Weert , Schor van Branst,Driegoten, Mariekerke, Cramp en Schoor van Grembergen.

  1990 aangroei afslag 2003
slik (ha) 309 1 14 296
schor (ha) 330 21 + 14 98 267

bronvermelding: Instituut voor Natuurbehoud, Natuurapport 2005

In een duurzaam systeem is er een dynamisch evenwicht tussen aangroei en erosie van schor, maar langs de Zeeschelde zien we tegenwoordig vooral erosie. Er vindt nog nauwelijk herkolonisatie van het slik door pionierplanten plaats. Een goede indicator voor de mogelijke ontwikkeling van nieuw schor, is de hellingsgraad van het gebied tussen hoog- en laagwater. Het INBO heeft onderzocht hoe deze hellingsgraad aan de Zeeschelde in de laatste decennia geëvolueerd is.

In 1966-67 zijn een 20-tal gedetailleerde slik-schorprofielen opgemeten in een geomorfologische studie van de Beneden-Zeeschelde (De Smedt 1967). De grote infrastructuurwerken die de getijdynamiek beïnvloed hebben, moesten toen nog gebeuren: de havenuitbreiding, de verdiepingen van de vaargeul en de dijkaanpassingen in het kader van het Sigmaplan.

In 2008 hebben we deze historische profielen opnieuw gemeten. De hellingsgraad van het gebied tussen hoog- en laagwater is globaal sterk toegenomen. Ze is verdubbeld tot verdriedubbeld en ligt nu meestal ver boven de theoretische erosiedrempel.
Erosie van de schorrand komt dan ook frequent voor. Aan landzijde ging bovendien veel schor verloren bij de aanpassing van de dijken tot Sigma-dimensies. De erosie is vaak succesvol gestopt door breuksteenbestorting op het slik of tegen de schorrand. Op sommige plaatsen leidde dat zelfs tot aangroei van het schor, maar de resulterende grens tussen slik en schor is scherp en onnatuurlijk.

De enige duurzame manier om de natuurlijke aangroeierosiecyclus te herstellen en om zich opnieuw habitats te laten ontwikkelen in dit gebied, is meer ruimte geven aan de rivier. Zijdelingse uitbreiding is een natuurlijke respons van de rivier op de verhoogde getijdynamiek. De uitbreiding wordt nu verhinderd door het strakke keurslijf van de dijken.
Ook onder de laagwaterlijn is de morfologie van de rivier sterk gewijzigd. Vergelijking van dieptekaarten uit de jaren zestig met recente kaarten toont aan dat de gebieden van 0 tot 5 meter onder de laagwaterlijn heel sterk zijn afgenomen.
Dat is vooral het geval in de zone aan de Belgisch-Nederlandse grens en in het zoetwatergetijdegebied. Bij een natuurlijke morfologie bevindt zich diep water aan de buitenbocht van de rivier en vinden we ondiepe platen aan de binnenbocht. Op veel plaatsen in de Zeeschelde is die morfologie vervangen door een uniforme U-vormige sectie.
Ondiepwatergebieden hebben nochtans een grote ecologische betekenis: ze zijn productief als habitat, ze dienen als foerageergebied voor vissen en vogels, en als paai- en kraamgebied voor vissen. Tegelijk zijn het ook belangrijke fysische buffers tegen de golfimpact op het aangrenzende slik en schor. De verdwijning van de ondiepwatergebieden heeft dus ook een directe impact op de hierboven beschreven ontwikkelingen van het gebied boven de laagwaterlijn.

bron: INBO jaarverslag 2008, Frederic Piesschaert frederic.piesschaert@inbo.be

 

Westerschelde

 

Voorgeschiedenis

De meeste schorren in de Westerschelde hebben tussen 1910 en 2000 eenzelfde ontwikkeling doorgemaakt. Veranderingen in het schorareaal zijn teweeggebracht door aangroei en erosie van de schorren en verlies van schorren door inpolderingen en dijkverzwaringen. Door inpolderingen zijn ook de luwe gebieden waar schorontwikkeling kon plaatsvinden, verdwenen.

Tussen ongeveer 1910 en 1950 zijn bijna alle schorren gegroeid. Dit hing samen met de introductie en aanplant van engels slijkgras. Dit is een pioniersplant die op een veel lager niveau kan groeien en vele groter wordt dan de toen aanwezige pioniersplanten. Hierdoor werd de schorgroei in de Westerschelde sterk bevorderd. De huidige omvang van Saeftinghe is volledig te danken aan dit engels slijkgras.

Na 1950 hebben de meeste schorren zich niet meer uitgebreid en sinds einde 1970 eroderen de meeste schorren in de Westerschelde.

Teloorgang van schorren en slikken

Hetareaal slik en schor is de afgelopen 50 jaar fors geslonken: van ca.7.800 ha in 1959 tot 6.000 ha in 2001. Vooral in het zoute deel van hetestuarium is er een duidelijke teloorgang van het areaal schor,namelijk van 600 ha naar 100 ha over dezelfde periode (dit is eenafname van meer dan 80%).

De natuurlijke aangroei kan dit verlies aanschorren al decennia lang niet meer compenseren. Deoverblijvende schorren zijn vaak klein en van elkaar geïsoleerd. Doorruimtegebrek tussen de dijken ontbreken stroomluwe plaatsen voor de vorming van nieuwe schorren. De onnatuurlijke hoge stroomsnelheden en getijdenenergie belemmeren, namelijk de vorming van nieuwe schorren opandere plaatsen.

Door deze hogere stroomsnelheden en getijdenenergie krijgen de slikken bovendien meer en meer een hoogdynamisch karakter.Dit brengt hun typische ecologische eigenschappen - gebonden aan een laagdynamisch karakter - in het gedrang.

Alleen in het noordwestelijk deel van Saeftinghe is het schor na die tijd nog gegroeid. Het slik is daar opgehoogd door het storten van baggerspecie langs de geul waardoor er zich pioniersvegetatie heeft kunnen vestigen.

Huidige situatie

De schorren in de Westerschelde bevinden zich nu allemaal in het laatste levensstadium van de schorsuccessie. De schorerosie is ook nog bevorderd door de slikverlaging die bij veel slikken heeft plaatsgevonden. Het klif kan nu langer door golven en stromingen aangevallen worden.

Toekomstvisie

Bij het ontwikkelen van een toekomstvisie stelt men dat de ontwikkelingen van de schorrand in de afgelopen 20 tot 30 jaar toonaangevend zijn voor de ontwikkelingen tot 2050.
De ontwikkeling van een schor is bepaald door analyse van historische kaarten en luchtfoto's. Aan de hand van deze gegevens werd de aangroei of erosie berekend.

Enkele schorren of delen van een schor zijn nu nog stabiel. Voor deze wordt gesteld dat tot 2050 in ieder geval erosie zal optreden omdat ook deze schorren zich in het laatste levensstadium bevinden.

Het is niet te verwachten dat de erosie tot 2050 zal verminderen, het is veel waarschijnlijker dat zij toeneemt.

Indien gekeken wordt naar een termijn van 100 jaar dan is het waarschijnlijk zo dat kleine schorgebieden met uitzondering van Saeftinghe, grotendeels zijn verdwenen.
De schorvorming kan daarna misschien weer van start gaan maar het ziet er naar uit dat het schor nergens meer dan een tiental meter breed zal worden.

Uitgebreide studie

Bij het RijksInstituut voor Kust en zee verscheen in 2001 een onderzoek naar de stabiliteit van de schorrand van acht gebieden (*). Doel van het onderzoek is het vaststellen van de huidige stabiliteit en het maken van een voorspelling van de ligging van de schorrand in 2050. Mede op basis van deze informatie kan worden beslist of aanleg mogelijk is en welke lengte de kleidijk kan krijgen.

>> Download rapport ...

(*) Kornman, B.A.; Schouwenaar, A. (2001). Kleidijken en groene dijken in de Westerschelde: voorspelling ligging schorranden in 2050 t.b.v. de aanleg van kleidijken/groene dijken. Rapport RIKZ = Report RIKZ, 2001.038. Rijksinstituut voor Kust en Zee: Den Haag. 17 pp.

schorrand-gbs-foto-rit-bellekens