Overleven met zoute voeten
Schorrenplanten leven op het dynamische grensgebied van zee en land. Om zich in deze gebieden te kunnen vestigen en handhaven, moeten ze zijn opgewassen tegen overstroming met zout water, droogvallen bij eb, golfslag en sterk wisselende temperaturen en zoutgehaltes.
Schorrenplanten hebben zich in het overwinnen van dergelijke moeilijke leefomstandigheden gespecialiseerd.
Men gebruikt meestal de benaming zoutminnende planten maar beter is de uitdrukking zouttolererende planten of halofieten. Halofieten hebben een grote tolerantie voor zouten.
Maar daar zijn ook grenzen aan: iedere soort is fysiologisch beperkt tot een bepaalde range in het zoutgehalte; bij sommige soorten is die range zeer ruim, bij andere soorten is die veel nauwer.
Veel water maar ...
Het grote probleem in een zout milieu is de opname van water. In normale omstandigheden gebeurt de wateropname door osmose, het transport van water door een halfdoorlaatbare wand die wel het water maar niet het zout doorlaat, van lage naar hoge concentratie.
Van osmotisch standpunt kan je een plant beschouwen als een vloeistofblaas met een halfdoorlaatbare wand (het plantenweefsel). Om water te kunnen opnemen moet de osmotische waarde van het celsap groter zijn dan die van de omgeving. En hier schuilt het probleem: het zoutgehalte van het bodemwater ligt hoger dan dat van het celvocht.
Zonder speciale aanpassingen of eigenschappen vanwege de plant kan er geen water opgenomen worden. Integendeel, heel de situatie vertoont de neiging om water uit de plant naar de omgeving te onttrekken. Daarbij komt nog dat de zuurstofarme bodem een intensieve wortelademhaling onmogelijk maakt waardoor de actieve zuigwerking van de wortels sterk bemoeilijkt wordt.
Aanpassingen die een verhoogde wateropname mogelijk maken
Kenmerkend voor zoutplanten is de hoge osmotische waarde van het celsap. Het wortelstel van deze planten kan actief zout opnemen en zo de zoutconcentratie van het celvocht verhogen totdat er watertransport door osmose van buiten naar binnen mogelijk is. Wil je in overleven dan kan je het zoutgehalte niet onbeperkt blijven opvoeren.
Zeekraal lost dit probleem op door in volume toe te nemen door het ganse seizoen te blijven groeien. Dit systeem werkt als je een éénjarige plant bent en je elk jaar opnieuw vanaf nul kunt beginnen.
Meerjarige planten moeten op zoek naar een andere oplossing zoals bijv. bladval. Deze planten slaan het zout op in de onderste bladeren, die na enige tijd afsterven en afvallen.
Lamsoor, Engels slijkgras, e.a. ... hebben een andere oplossing: zij kunnen door middel van kliertjes het teveel aan zout actief uitscheiden.
Zilte rus accumuleert gedurende het ganse groeiseizoen het opgenomen zout; in de herfst sterven de bovengrondse delen af.
Aanpassingen die de verdamping beperken
Wil je het weinige water dat je ter beschikking hebt niet verliezen, dan moet je de verdamping beperken. Dat kan op 3 manieren:
- verminderen van het bladoppervlak: de meeste zoutplanten hebben weinig of kleine blaadjes. Zo zijn bij de Zeekraal de blaadjes herleid tot bladscheden. Ook de schikking van de bladeren tot een wortelrozet beperkt de verdamping.
- haren of schubben op de bladeren: hierdoor ontstaat een isolerende luchtlaag tussen de plant en de omgeving.
- beschermende waslaag: verschillende schorreplanten hebben zich voorzien van een beschermend waslaagje.
Het weinige water vasthouden
Bij verschillende zoutplanten zijn de bladeren en/of de stengels dik en vlezig, in deze weefsels wordt water opgeslagen. We noemen deze planten succulenten of vetplanten.
Naargelang waar de waterreserve wordt opgeslagen spreken we van stengelsucculenten - bijv. Zeekraal - en bladsucculenten - bijv. Schorrekruid.
![[/BASFlogo/BASFlogo-lichtblauw.gif] [/BASFlogo/BASFlogo-lichtblauw.gif]](http://scheldeschorren.be/cms/uploads/images//BASFlogo/BASFlogo-lichtblauw.gif)